NAAR EEN DUURZAME KOERS

Door Elias de Bruijne in Fiets nr 8, 2025

Fietsen heeft dan wel een redelijk groen imago, de fietsindustrie en de koers zijn nog niet bepaald
duurzaam. Om dat te veranderen ziet duurzaamheidsexpert Erik Bronsvoort een belangrijke rol
weggelegd voor de profsport, met name voor de UCI. Hoe zit dat?

Erik Bronsvoort weet het nog goed: in 2016 zat hij met Matthijs Gerrits in de auto op weg naar de Alpen om een paar dagen te gaan fietsen, met achterin een gloednieuwe carbon mountainbike, toen zijn fietsvriend zei: ‘Jij hebt altijd zo je mond vol van duurzaamheid, maar wat wij aan het doen zijn is helemaal niet duurzaam.’ Bronsvoort werkte op dat moment als duurzaamheidsadviseur in de bouw. De rest van die trip hadden ze het alleen nog maar over waarom de fietsindustrie het thema duurzaamheid niet oppikte.

Op een gegeven moment zei Gerrits, die destijds in de fietsenindustrie werkte: ‘Als we jouw kennis over circulaire economie en mijn kennis over fietsen bij elkaar brengen, kunnen we dan niet eens gaan kijken wat wij kunnen betekenen?’ Het resultaat was Circular Cycling, een winkel met refurbished racefietsenvan zoveel mogelijk gebruikte onderdelen. Dat werd geen groot succes: vanwege de vele verschillende standaarden bleek het samenstellen van de fietsen lastig en ook deverkoop verliep stroef, en zo sloot de winkel begin 2020.

Dat gold niet voor Circular Cycling. De winkel was dan wel dicht, maar Bronsvoort en Gerrits hadden enkele belangrijke lessen geleerd die ze met de buitenwereld wilden delen. Ze besloten zich op kennisdeling te richten en publiceerden in 2020 het boek From Marginal Gains to a Circular Revolution, waarin wordt geschetst hoe de fiets industrie werkt – lineair, dus van grondstof naar productnaar afval – én hoe het anders kan, namelijk door producten te maken die langer meegaan, eenvoudig een tweede leven kunnen krijgen en kunnen worden gerecycled.

Inmiddels is Bronsvoort een duurzaamheidsexpert in de internationale industrie (met o.a. Shift Cycling Culture, een non-profitorganisatie die trainingen en meetings rond dit thema verzorgt) en ziet hij deze langzaamaan verduurzamen, maar snel gaat het niet: de industrie focust nog steeds op ‘snelle’ performance boven lange levensduur en gebruiksgemak, wat ten koste gaat van de duurzaamheid. Toch denkt Bronsvoort dat daar verandering in kan komen. Hoe? Via de profsport – net als in de Formule 1.

DESIGNED TO FAIL

De Formule 1, die sport is toch bij uitstek vervuilend? Dat zou je als leek al snel zeggen, maar dat klopt niet helemaal. De F1 nam de afgelopen jaren wat het materiaal betreft namelijk heel wat maatregelen om de milieu-impact van de sport te verkleinen, zegt Bronsvoort. “Tot tien à vijftien jaar geleden kon je in de F1 ongelimiteerd motoren, versnellingsbakken en brandstof gebruiken, maar op een gegeven moment heeft de sport gezegd: we willen onze footprint verkleinen en de auto-industrie stimuleren om producten te maken die langer meegaan en minder brandstof gebruiken.”

Deels werd dit wellicht ook ingegeven door de lease-industrie – maar daar komen we straks op. Eerst even iets over hoe de huidige fietsindustrie werkt. In de bouw had Bronsvoort al geleerd dat de grootste milieu-impact niet zit in dingen als gasverbruik, elektriciteit of het transport van de aannemer zelf, maar in energie die het kost om materialen te produceren. Met hun fietsenzaak leerden Gerrits en hij vervolgens een paar belangrijke lessen over de producten die de fietsindustrie maakt: products are designed to fail (ze moeten bijvoorbeeld zo licht of goedkoop mogelijk zijn), to be outdated (de compatibiliteit gaat snel achteruit) en to be out-of-fashioned.

En nu komt het: die drie punten hangen weer samen met het profwielrennen, waarin merken zich onderscheiden door producten te maken die zo snel mogelijk zijn. “Het ontwikkelen van producten voor de profsport is heel belangrijk voor merken, dus reserveren ze hun slimste ingenieurs en grootste budgetten voor het maken van zo licht, stijf en aerodynamisch mogelijke onderdelen. Punt twee is dat al die technologie vervolgens – net als in de autosport – doorsijpelt naar alle andere fietsen.

‘NIEUWE UCI-REGELS KUNNEN ERVOOR ZORGEN DAT HET GEDOE DAT VEEL FIETSERS NU ERVAREN MINDER WORDT’

Nieuwe UCI-regels zouden dit, net als in de F1, kunnen veranderen: je zou bijvoorbeeld regels kunnen maken voor hoeveel fietsen een profteam per jaar mag gebruiken of hoeveel kettingen, cassettes of wielsets per grote ronde. Vorig jaar las ik dat Visma | Lease a Bike in de Tour elke dag alle kettingen vervangt: op die manier is er natuurlijk geen enkele noodzaak om producten te ontwerpen die langer meegaan. De vraag is dus: hoe kun je stimuleren dat merken hun R&D-budget en innovatiekracht niet meer stoppen in van 12- naar 13-speed gaan of een halve watt winst, maar in het ontwikkelen van producten die langer meegaan of makkelijker te onderhouden zijn? Daar kan de UCI een rol in spelen.”

VAN LEASE NAAR DUURZAAM?

De vraag is nu: waarom zou de UCI dit willen? In het geval van de F1 wilde de sport zelf verduurzamen, maar was er waarschijnlijk ook druk vanuit de automerken. “Die hebben waarschijnlijk gezegd: wij willen wel investeren, maar we moeten de R&D die we daarvoor gebruiken wél kunnen toepassen in de markt waar we ons geld verdienen: de massa. Nu mag je in de F1 nog maar drie motoren per jaar gebruiken en per race nog maar maximaal 100 kilo brandstof meenemen, en daar moeten ze het mee doen. De merken gebruiken hun R&D-budget om producten te maken die langer meegaan en kunnen dat vervolgens ook in normale auto’s toepassen en zich daarmee onderscheiden in de automarkt.”

Hiermee hangt ook het leaseverhaal samen. In de auto­ wereld is die leasemarkt heel belangrijk geworden en is het dus ook belangrijk dat auto’s degelijker zijn, zegt Bronsvoort. “Anders kosten die auto’s veel te veel aan onderhoud en is de restwaarde laag, en dan neem je als leasemaatschappij op een gegeven moment afscheid van zo’n merk en ga je verder met een ander, kwalitatief beter merk.

Dat gaat in de fietsindustrie ook gebeuren, want de fietsleasemarkt groeit enorm. En dan kan het gebeuren dat de merken zeggen: we moeten een deel van ons R&D-budget van de profsport naar lease verplaatsen – want veel van de grote sportfietsenmerken verdienen inmiddels een groot deel van hun geld met leasing. Voor die merken zou het dan een oplossing kunnen zijn om – via nieuwe UCI-regels – de R&D die ze nodig hebben voor de profsport te kunnen combineren met de R&D die ze nodig hebben voor de leasevloot, net als in de Formule 1. Dat zou betekenen dat producten duurzamer worden, en dat heeft nog een voordeel: zo zouden nieuwe UCI-regels er ook voor kunnen zorgen dat het gedoe dat veel fietsers nu ervaren – zoals lange wachttijden bij fietsenmakers, hoge kosten en een gebrek aan compatibiliteit – minder wordt.

Het interessante van de Formule 1 is ook: die sport benadrukt ook heel sterk de manier waarop ze de hele auto-industrie verduurzamen en kwalitatief beter maken, en daarmee verkopen ze zichzelf. Dat zou in de koers ook kunnen.”